2 Afstanden = 4 Groepen
| afstand | groep en snelheid | dit houdt in dat: |
| Kort | K 1: max. 27 km/uur |
de gemiddelde snelheid ligt op 25 à 26 km/uur. Echter indien de situatie het toelaat kan de snelheid kortstondig boven de 27 km/uur komen. (Bijvoorbeeld : wind in de rug) |
| K 2: 27 km/uur of meer |
de gemiddelde snelheid hoger is dan 26 km/uur. Het kan dan ook voorkomen dat er boven de 30 km/uur gereden wordt over langere afstand. (Bijvoorbeeld : sprintje / sterke rijders) |
|
| Lang | L1 : max. 30 km/uur |
de gemiddelde snelheid ligt op 27 à 28 km/uur. Echter indien de situatie het toelaat kan de snelheid kortstondig boven de 30 km/uur komen. (Bijvoorbeeld : wind in de rug) |
| L2 : 30 km/uur of meer |
de gemiddelde snelheid hoger is dan 28 km/uur. Er wordt dus bijna altijd harder gereden dan 30 km/uur. |
Om dit te laten slagen moeten :
De eerste 4 (2+2) koprijders :
- de snelheid van het peloton in de gaten houden.
- regelmatig controleren of het gereden tempo goed bijgehouden kan worden.
- de signalen uit het peloton goed in de gaten houden.
- optrekken na bochten/stoplichten aanpassen aan de groep.
- waarschuwen voor tegemoetkomend verkeer, roepen b.v. “auto tegen”.
- waarschuwen voor palen in het wegdek en andere obstakels.
- tijdig richting aangeven.
- alle waarschuwingen en aanwijzingen ook laten zien d.m.v. de vastgestelde hand – armgebaren.
Alle deelnemers in het peloton :
- de signalen duidelijk doorgeven.
- als minder geoefende fietser direct achter de koprijders rijden (positie 3-4).
- aangeven als het niet “lekker” gaat.
Fietsers achterin het peloton :
- in de gaten houden wie niet “lekker zit”.
- waarschuwen voor achteropkomend verkeer, roepen b.v. “auto achter”.
- “zwakke” fietsers naar voren brengen.
- een goede conditie hebben.
